In mijn vorige stuk schreef ik over digitale versnippering: het patroon waarbij scholen van alles doen, zonder dat het ergens samenkomt. Dit stuk gaat over het andere deel van de vraag: wat een school dan wél moet kunnen. Welke technologie over drie jaar het onderwijs op zijn kop zet, weet ik niet. En eerlijk gezegd zou ik iedereen die dat wél zeker denkt te weten met enige argwaan benaderen, zeker als je daar geen magische glazen bol op het bureau aantreft.
Waarom voorspellen zo aantrekkelijk is
Ik snap die behoefte aan zekerheid heel goed. Als schooldirecteur neem je besluiten met gevolgen. Investeringen, personeel, curriculum, privacy, de leveranciers waarmee je in zee gaat. Iedere keer dat er iets nieuws langskomt, voel je de druk om er nú een standpunt over in te nemen.
Het probleem zit hem niet in die behoefte. Het probleem ontstaat als je een strategie bouwt die op perfecte voorspellingen moet leunen.
Want hoeveel scholen zagen vijf jaar geleden aankomen wat er nu op hun bordje ligt? Sinds ChatGPT eind 2022 doorbrak, gebruikt inmiddels bijna negentig procent van de middelbare scholieren generatieve AI voor schoolwerk. Ruim zestig procent daarvan krijgt daar van school geen enkele instructie bij. Dat is niet omdat scholen het niet belangrijk vinden, maar omdat niemand dit vijf jaar geleden op de kaart had (kunnen hebben) staan.
Dat is precies het punt. Als je strategie ervan uitgaat dat je dit soort ontwikkelingen op tijd ziet aankomen, ben je structureel te laat.
Toekomstbestendig, opnieuw gedefinieerd
De OECD beschrijft de opgave voor onderwijs niet als het voorbereiden op een vaststaande toekomst, maar als het leren navigeren in onzekerheid. De toekomst is per definitie onvoorspelbaar, maar je kunt wel leren om trends te herkennen en daarin mee te bewegen.
Dat is een andere invulling van future proof zijn, dan we in het onderwijs gewend zijn. Future proof betekent niet dat je klaar bent voor technologie X. Het betekent dat je georganiseerd bent om met X, Y, en met iets wat we nu nog niet kennen (Z) om te gaan.
Dat is een geruststellende gedachte, en tegelijk een ongemakkelijke. Geruststellend, omdat je je niet compleet voor hoeft te bereiden op elke denkbare ontwikkeling. Ongemakkelijk, omdat je dus ook niet klaar bent zodra je de huidige tools onder de knie hebt.
Organisatievermogen
Wat een school dan wel nodig heeft, noem ik organisatievermogen. Concreet betekent dat: nieuwe ontwikkelingen kunnen signaleren, kunnen beoordelen of ze relevant zijn voor jullie onderwijs, ze kunnen koppelen aan wat je als school wilt, er in het klein mee kunnen experimenteren, dat evalueren, en vasthouden wat werkt.
Onderzoek naar duurzame onderwijsinnovatie in het primair onderwijs, uitgevoerd door Marjolein Ploegman, wijst op een vergelijkbaar patroon. Innovaties beklijven vaker wanneer scholen scherpe keuzes maken in plaats van alles tegelijk oppakken, wanneer degenen die de verandering moeten uitvoeren vanaf het begin worden betrokken, en wanneer er behalve enthousiasme ook daadwerkelijk tijd en middelen beschikbaar zijn. Diezelfde combinatie zie ik dagelijks terug in wat scholen digitaal nodig hebben. Ik vertaal het naar drie vermogens.
Vermogen 1: koers bepalen
De eerste vraag is niet welke technologie je gebruikt, maar waar je als school naartoe wilt.
Dat klinkt als een open deur, tot AI, digitale geletterdheid, privacy, cyberveiligheid en drie enthousiaste leveranciers tegelijk op de stoep staan. Dan maakt een koers het verschil tussen interessant en relevant.
Laatst was ik op een school die een streep zette door iets waar een deel van het team al maanden mee bezig was. Een klein gedeelte van de leraren werkte met hun “eigen chatbot”, ieder een andere, allemaal met de beste bedoelingen. De school koos voor één ecosysteem en liet de rest los. Voor sommigen voelde dat als een stap terug. Het was het omgekeerde. Zolang iedereen zijn eigen tool gebruikt weet niemand waar informatie belandt, en kun je ook geen fatsoenlijk gesprek voeren over wat wel en niet kan.
Met één ecosysteem kun je dat gesprek wel voeren. Je weet dat je binnen de AI Act werkt, je spreekt samen af binnen welke lijnen je opereert, en pas daarna wordt experimenteren echt interessant. Nee zeggen tegen losse tools was hier geen rem op innovatie. Het was de voorwaarde daarvoor.
Een school die veel technologie gebruikt, is dus niet per definitie digitaal volwassener dan een school die bewust kiest. Digitale volwassenheid zit in het kunnen uitleggen waarom je iets wel of juist niet doet.
Vermogen 2: verandering samen leren leiden
Digitale ontwikkeling hoort niet thuis bij één ICT-coördinator, directeur of enthousiaste docent.
Je hebt leiderschap nodig om richting en ruimte te geven, digitale expertise om ontwikkelingen te kunnen beoordelen, en de dagelijkse onderwijspraktijk om te weten of iets werkt in de klas. Dat moet je niet verwarren met dat iedereen hetzelfde moet weten. Iedereen moet vooral weten welke kant je als school op wilt.
Dit is precies waar het innovatieteam-idee vandaan komt: niet één kartrekker die alles trekt, maar verschillende rollen die samen eigenaarschap dragen. Onderzoek naar schoolinnovatie bevestigt ook dat top-down bepaalde, gedetailleerde plannen de uitvoering eerder belemmeren dan versnellen. Betrokkenheid van de mensen die het moeten uitvoeren, blijkt juist een van de factoren die het verschil maakt tussen een innovatie die beklijft en een die al snel verdampt.
Vermogen 3: toepassen en borgen
Hier sneuvelen de meeste goede plannen. Je moet dingen kunnen proberen, evalueren, bijstellen en vervolgens onderdeel maken van hoe je school werkt. Dat is geen eenmalige actie, maar een vast onderdeel van hoe je met verandering omgaat.
Een training of studiedag eindigt vaak al op het moment dat de zaal leegloopt. Organisatievermogen ontstaat pas wanneer nieuw gedrag en nieuwe kennis blijven hangen nadat de energie van de eerste dag is weggezakt.
Morgen verschijnt er iets nieuws
Om dit tastbaar te maken: stel dat er morgen een toepassing verschijnt die niemand vandaag nog kent.
De oude reactie kennen we: enige paniek, een enthousiaste collega die er meteen mee aan de slag gaat, een pilot, misschien een training en een losse discussie in de docentenkamer die vermakelijk is, maar nergens toe leidt.
De nieuwe reactie ziet er anders uit. Past dit bij onze koers? Wie beoordeelt dit eigenlijk? Wat willen we ermee bereiken? Kunnen we het klein testen? En wat doen we met wat we daaruit leren?
Dat hoeft dus helemaal geen ingewikkeld proces te zijn. Het is wel een ander proces dan de meeste scholen nu hebben.
De schooldirecteur opnieuw bekeken
Even ter geruststelling: niets van dit alles vraagt dat je als schooldirecteur zelf een technisch specialist wordt. Jouw rol zit in de koers, de voorwaarden, het verbinden van de juiste mensen, het mandaat dat je geeft en de tijd die je vrijmaakt. Dat is een andere verantwoordelijkheid dan alles zelf weten en volgens mij ook een veel dragelijkere. Onzekerheid over de technologie van morgen hoeft dan niet meer te leiden tot onzekerheid over wat je vandaag moet doen.
Terug naar de voorspelling
Ik kan je niet vertellen welke technologie in 2030 het onderwijs bepaalt. Wat ik wel kan helpen organiseren, is een school die in 2030 niet opnieuw bij nul hoeft te beginnen zodra die technologie zich aandient.
Misschien is dat uiteindelijk wel de meest toekomstbestendige keuze die er is: stoppen met proberen de toekomst precies te voorspellen en investeren in het vermogen om er iedere keer opnieuw goed op te reageren.
Waarom het Digitaal Innovatie Programma zo is opgebouwd
Dit inzicht is precies waarom het Digitaal Innovatie Programma (DIP) is ingericht rond een heel schooljaar én een innovatieteam, niet rond een losse cursus.
Koers bepalen, samen leren leiden, toepassen en borgen leer je door het zelf te doen: met de mensen die het straks moeten dragen, middenin de dagelijkse praktijk waarin het moet werken. De programmaonderdelen van DIP zijn daarbij het gereedschap, niet het doel.
Wil je weten hoe dat organisatievermogen er bij jullie school concreet uit zou zien?
Dat bespreek ik graag in een gesprek, zonder verplichtingen. Stuur me een bericht, dan kijken we samen waar jullie nu staan en wat voor jullie een logische volgende stap is.
Bronnen & verder lezen
- TheAIDaily: AI onderwijs statistieken 2026. Cijfers over het gebruik van generatieve AI door leerlingen en studenten in Nederland, waaronder het aandeel vo-leerlingen dat AI gebruikt zonder instructie vanuit school. Lees de cijfers bij TheAIDaily
- OECD: Learning Compass 2030. Het OECD-kader dat onderwijs positioneert als het leren navigeren in onzekerheid, in plaats van het voorspellen van de toekomst. Lees meer bij de OECD
- PO-Raad: Zes factoren voor duurzame onderwijsinnovatie. Onderzoek van Marjolein Ploegman naar wat innovaties in het primair onderwijs daadwerkelijk laat beklijven. Lees het artikel bij de PO-Raad